Op 24 mei vierde Fujitatami Guesthouse stilletjes zijn 9e verjaardag. Afgezien van Issei, Kana en de Duitse vrijwilliger Celina waren er geen andere gasten om dit mee te vieren. Met z’n vieren stonden we dus kort stil bij deze kleine mijlpaal. Dat er geen gasten waren, kwam voor mij eigenlijk niet zo slecht uit. 26 mei zou de cameraploeg uit Tokio namelijk weer voor een derde keer naar Izumi komen, deze keer onder andere om mijn vorderingen als tatamistudent vast te leggen. Ik zou ze laten zien dat ik inmiddels geleerd heb om (grotendeels) zelfstandig een halve tatamimat te maken.

De eerste dag van hun aanwezigheid stond er echter een mooi tripje op de planning. Achter de schermen was Yoshiki (de director) bezig geweest met het regelen van een bezoek aan een speciale locatie waar tatamimatten in overvloed zijn. Na aanvankelijk enkele tempels in de omgeving onsuccesvol benaderd te hebben – deze hadden liever niet dat er in de tempel door een cameraploeg gefilmd werd – had Yoshiki iets anders moois voor ons in petto: het eeuwenoude kasteel in Kioto, Nijo-jo.
Het Nijo-jo kasteel is niet zomaar weer een Japans kasteel, maar eentje van enorm veel historische significantie. Gebouwd in 1603 als keizerlijke villa van de eerste Shōgun (将軍) van de Edo-periode Tokugawa Ieyasu, is het vandaag de dag een uiterst belangrijk gebouw en waardevolle locatie voor de Japanse geschiedenis. Het kasteel is één van de best bewaarde originele kastelen in Japan en een absolute toeristenmagneet. Toch was het Yoshiki op de één of andere manier gelukt om een privérondleiding te regelen voor de officiële openingstijd.

Daarom gingen we vanuit Izumi in de zeer vroege morgen op pad richting Kioto. Om kwart over vijf ’s ochtends reden we weg met een volle auto: Hiromasa, de driekoppige cameraploeg en ik. Zo kwamen we aan bij het kasteel ruim voor de openingstijd en werden we haast als koninklijk gezelschap ontvangen. De grote poort van het kasteel werd door personeel geopend, en we mochten zo met de auto het terrein binnenrijden. Iets wat alleen bij wijze van hoge uitzondering kan gebeuren, gegeven de historische waarde van de locatie. Hiromasa was duidelijk in zijn nopjes en had zelf ook nog nooit zoiets meegemaakt. Ook de cameraploeg was merkbaar enthousiast.

We werden door twee vriendelijke personeelsleden na het parkeren van de auto rondgeleden door de grote tuin naar de entree van het gebouw waar het daadwerkelijk om te doen was. Ook daar werd de grote deur speciaal voor ons geopend, onderwijl wij genoten van de serene rust en stilte in het hart van Kioto én de Japanse geschiedenis. Eenmaal binnen werd ons enthousiasme nog meer gevoed door de indrukwekkende schoonheid van het interieur. Haast overal, in zowel de kamers als de gangen, lagen tatamimatten van de hoogste kwaliteit met prachtige zijstoffen. De tatamimatten in de gangen hadden zelfs zijstoffen gemaakt van zijde, gekleurd in koninklijk rood. Aan alles viel af te zien dat het hier gaat om een paleis van een gebouw, gemaakt voor de belangrijkste elite van 17e eeuws Japan.


Normaal is deze plek alleen te bewonderen met misschien wel honderden andere toeristen tegelijk, maar wij hadden de eer om door het royale pand te lopen in alle rust, zoals de shogun en zijn hooggeachte gasten eeuwen geleden dat ook deden. Het was het vroege opstaan meer dan waard. Uiteraard moest er wel nog enig acteerwerk door Hiromasa en mij verricht worden voor het item dat de cameraploeg aan het maken was. Omdat we maar ongeveer een uur de tijd hadden voor het gebouw voor het ‘gewone volk’ geopend werd, werden we door de vriendelijke gastheren gemaand om de beperkte tijd iets meer in acht te nemen.

Yoshiki besloot echter om met zijn cameraman op eigen initiatief nog even een rondje te lopen door het kasteel, tot enige zichtbare ergernis van het rondleidende personeel. Maar uiteindelijk stonden we toch nét voor de openingstijd weer voor de ingang van het kasteel, waar we de eerste bezoekers naar binnen zagen stromen, en groepen in groten getale zagen arriveren. Na de drukte voor enige momenten bewonderd te hebben met een grijns, liepen wij richten de auto die inmiddels op het officiële parkeerterrein geparkeerd stond. Het was tijd om weer naar Izumi te gaan, waar we ’s middags een afspraak hadden om nieuwe tatamimatten af te leveren bij een gewaardeerde klant.










Te midden van het Japanse geklets in de auto op de terugweg, lukte het mij niet om mijn ogen open te houden. Deze keer vond ik het echter niet zo vervelend de Japanse taal nog niet machtig te zijn, ik kon ongestoord en ongemerkt wat extra rust pakken.
Na de middagpauze vertrokken we naar de klant die inmiddels al weken op zijn tatamimatten aan het wachten was. Bremens, de voormalige reiziger bij wie we eerder met cameraploeg waren geweest om de metingen te verrichten, was, toen we met de 5 nieuwe tatamimatten aankwamen, uiterst vrolijk gestemd. In het echt was het dus al bijna twee maanden geleden dat we bij hem waren voor de metingen, maar voor het item van de tv-ploeg moest het zijn alsof het nu een week later was.
Dat was namelijk destijds zo afgesproken: Hiromasa had mij toen ook op beeld verteld dat hij mij binnen een week zou leren om een tatamimat van halve grootte te maken. Toen begreep ik al niet goed dat ik, als totaal onkundige en onervarene op gebied van dit ambacht, met een week geleerd zou hebben om een tatamimat met de hand te kunnen maken. Maar inmiddels was het mij duidelijk geworden dat, ter wille van het item, en geheel volgens de stijl van de tv-wereld, de realiteit niet de werkelijkheid is. Volgens de aankomende uitzending – waarschijnlijk rond september – zal het dan ook zo lijken alsof ze mijn vorderingen een week later filmen, terwijl het eigenlijk twee maanden later is. Ik ben benieuwd hoeveel ik in ‘één week’ veranderd ben als ik de uitzending straks zie…
Op dinsdag was het dan tijd voor de ‘test’. In de ochtend kwam ik aan met de filmploeg in de tatamiwerkplaats waar Hiromasa op mij wachtte. De materialen lagen al voor me klaar: een rijsstrobasis, een igusa-mat, naald en draad en ander tatamigereedschap. Het meetwerk kwam bij de test nog niet aan de orde, het ging puur om het naai- en snijwerk. Ik had inmiddels al vele tatamimatten gemaakt, en zeker honderden keren met de naald door een tatamimat heen geprikt. Toch was ik door de aanwezigheid van de filmploeg, en de gedachte dat het ging om een ‘test’ een beetje nerveus. Maar er was geen ontkomen aan nu; ik moest vandaag een tatamimat van begin tot eind afmaken en alle drie de onderdelen, kamachi, hirazashi en kayashi achter elkaar uivoeren.
Het begin van kamachi, het bevestigen van de igusa op de rijststrobasis, leek goed te gaan. Echter werd ik geteisterd door ongeluk bij het straktrekken van de draden. Niet één keer, twee keer, maar drie keer brak de draad, wat mij bij dit onderdeel nog nooit overkomen was. Ik wist bij de derde keer niet meer wat ik moest doen om door te gaan, en Hiromasa wilde mij eigenlijk geen aanwijzingen geven, omdat het ging om een test. Ik raakte waarschijnlijk zichtbaar gefrustreerd, en voelde dat alle ogen en camera’s op mijn handelen gericht waren. Ik hoorde mijn sensei mij aanmoedigen door te zeggen ‘ga zo door’. Daadwerkelijk in het Nederlands, omdat ik hem deze zin enkele weken hiervoor had uitgelegd. Gelukkig heeft mijn sensei me toch enigszins weer op de goede weg geholpen, waardoor ik verder kon met de test.
Het duurde even voordat ik me mentaal ook weer herpakt had, maar met alles wat ik geleerd had in de afgelopen twee maanden (ik bedoel een week), wist ik dat het geen probleem kon zijn om gewoon weer even een tatamimat te maken. Het was zeer stil in de werkplaats, omdat de cameraploeg mijn focus niet wilde verstoren, en uiteindelijk begon de situatie meer te lijken op een meditatiesessie. Ik werkte rustig, stap voor stap door aan het proces, van hirazashi tot kayashi, en je zou een speld kunnen horen vallen in de normaal gesproken rumoerige werkplaats. Middenin deze sereniteit kwam Celina, de Duitse vrijwilliger, binnen met een dienblad gevuld met theekoppen en een pot met één van mijn favoriete theesoorten (kuromoji).
Deze kleine, onverwachte theepauze kwam als geroepen, en ik was Celina hier zeer dankbaar voor. Maar uiteraard was ook hier niet alles zoals het lijkt. Yoshiki had Celina namelijk gevraagd om thee te zetten en dit te komen brengen, mede om mij te ondersteunen maar natuurlijk ook voor wat leuke extra beelden voor deze eentonige dag.
Voor mij vloog de tijd, maar het heeft toch zeker 7 uur in totaal geduurd voordat ik de laatste keer de naald door de mat stak, het laatste stuk draad kon aantrekken en het overgebleven stuk kon afknippen. “Finish”, zei ik hardop en opgelucht richting de cameraploeg. Na zoveel uur wachten op een langzame beginneling konden ze volgens mij in eerste instantie niet geloven dat het mij dan eindelijk gelukt was. Het was even schakelen, maar nu was het tijd voor de beoordeling.
Volgens mijn leermeester Hiromasa heb ik het ‘niet slecht’ gedaan, ondanks dat ik de officiële test niet gehaald zou hebben wegens de hulp die ik had gekregen na het meermaals breken van de draad in het begin. Ook was het naaiwerk niet overal even recht, echter is dat vanaf de bovenkant natuurlijk niet te zien. De bovenkant zelf zag er goed uit, de zijstof was netjes, recht en strak afgewerkt en ook de igusa lag mooi op de rijststrobasis. Daarnaast heb ik me tijdens de test niet geblesseerd, of bloedvlekken achtergelaten op de tatamimat, iets waardoor je de officiële test ook niet zou halen. Een krappe voldoende was het oordeel van de meester.


Het volbrengen van de test werd uiteindelijk gevierd met een zeer speciale uitvoering van Kana’s rijstmeeldonuts. Ze had deze dag namelijk een aantal donuts gemaakt met igusa-poeder, oftewel echte eetbare igusa! Zo zal ik dus hopelijk toch wat minder gek overkomen toen ik bij aankomst in Japan enthousiast vertelde over dat ik igusa zo ‘lekker’ vond. De cameraploeg kon nu zelf ook ervaren dat igusa wel degelijk eetbaar is. Een hele aparte smaakbeleving was het. De donuts roken duidelijk, maar subtiel naar tatami en smaakten zoet en heel licht grassig. Ze waren succesvol genoeg voor Kana om ze op te nemen in haar repertoire, zodat de komende tijd meer mensen de heerlijke aroma van igusa op een nieuwe manier kunnen ervaren.

Voor nu zwaaiden we de tv-ploeg voor de camera officieel gedag. De avond sloten we echter zonder camera’s erbij af met een bezoek aan één van mijn favoriete restaurants in Izumi: Kamado. Een restaurant dat wordt gerund (letterlijk) door een interessante heer in zijn eentje, die alles doet om zijn klanten zo snel mogelijk van dienst te zijn. De cameraploeg uit Tokio was onder de indruk van zijn yakitori en kippensoep, en de drankjes gingen er ook goed in. Deze laatste momenten met de cameraploeg voelden dubbel, omdat ik opgelucht was dat ik binnenkort niet meer voor de camera hoefde te acteren, maar het ook heel jammer vond dat ik deze gezellige mensen misschien nooit meer ga zien.
De volgende morgen kwamen ze echter nog voor een laatste keer aankloppen bij het gasthuis, namelijk om een paar laatste vragen te stellen en wat extra soundbites op te nemen. Ik moest nog wat commentaren leveren voor de eindmontage. Het liefst ook enthousiaster dan ik kennelijk overkwam in het kasteel in Kioto. Toen dit allemaal achter de rug was vertrokken ze dan echt, en ditmaal zonder nieuw bezoek in het vooruitzicht. Het voelt als een afgesloten hoofdstuk, nu ik niet meer voor een tatamitest aan het voorbereiden en oefenen ben. Ik zal mezelf op andere manieren moeten gaan testen de komende maanden om de gang erin te blijven houden.
Nieuwe hoofdstukken zullen volgen…

Leave a comment