Na het (enigszins) succesvol behalen van mijn eerste tatamitest, was mij een weekje vrij gegund door mijn sensei. In eerste instantie had ik het plan om van deze gelegenheid gebruik te maken door de kumano kodo te lopen, een pelgrimsroute door de bergen van Wakayama Pref. Dit omdat ik twee jaar geleden de vierdaagse wandeltocht niet kon volbrengen vanwege een geblesseerde knie. Maar, omdat ik nu eigenlijk ook niet de juiste uitrusting had (tent, slaapspullen, wandelschoenen, etc.) , zou het wellicht een dure en onverstandige onderneming worden, slechts om mijn gevoel van trots te herstellen. Daarnaast had ik hier een eigen fiets staan in topconditie waar ik al de nodige yen in heb geïnvesteerd.
Een fietstocht leek me daarom een beter plan. Aangezien ik op Google Maps nog een interessante plek had gemarkeerd om te bezoeken, was ik ook snel erover uit waar de tocht me naartoe zou brengen: Chikubushima. Het is een klein eilandje dat zich middenin het noordelijk deel bevindt van het Biwameer, het grootste meer van Japan, gelegen in de prefectuur Shiga. Naast de film Rental Family had de zus van de regisseur mij deze plek nog getipt toen we elkaar ontmoetten op de top van Makiosan. Na enig onderzoek en planning leek Chikubushima het ideale doel voor een fietstocht van ongeveer zeven dagen.
Wat de fietstocht extra leuk zou maken, was dat ik ook om het gehele Biwameer zou fietsen, een onderneming die populair is bij wielrenners en recreatieve fietsers. Deze nationale fietsroute heeft de naam Biwaichi, en is ongeveer 190 kilometer lang. Aangezien ik vanuit Izumi op de fiets kom, komt er nog zo’n 180 kilometer bij in totaal (heen en terug). Mijn eerste tussenstop op deze reis zou Kioto zijn, oftewel de derde keer in een korte tijd dat ik de voormalige hoofdstad een bezoek zou brengen. De weersverwachting was zeer goed voor de eerste paar dagen, maar er was ook een tyfoon op komst…
Ik begon mijn fietstocht op zondag 31 mei. Deze keer bracht ik ook een goza-mat mee, gemaakt van igusa en afgewerkt met de tatamizijstof (heri). Vanwege het oppervlak van igusa lijkt het veel op een tatamimat, maar het is meer een soort van yogamat die opgerold kan worden en zeer licht is van gewicht. Perfect om te gebruiken op het strand, zo dacht ik. En tevens om misschien wat reclame te maken voor de goede zaak, natuurlijk.

De eerste dag op weg naar Kioto was makkelijk. Inmiddels kende ik de route vanuit Izumi, door Sakai en naar Osaka goed. Vlakbij het kasteel van Osaka (wat ik overigens nog nooit bezocht heb) waren atleten een triatlon aan het afleggen, en voor mij was dat een mooie plek om een kopje koffie te nuttigen. In de koffiewinkel sloeg ik nog een flater bij het bestellen. Meestal kun je vragen van het personeel namelijk beantwoorden met ‘daijoubu desu’ (大丈夫です), ‘het is oké’, maar niet altijd. Mij werd gevraagd om welke grootte ik graag wilde, waarop ik het routineantwoord gaf. De jongedame keek me wat vermoeid aan en herhaalde de vraag in gebrekkig Engels, waarna ik mijzelf door de mand zag vallen.

Ik bereikte Kioto na een gemoedelijke fietstocht langs de Yodogawa vroeg in de middag. ’s Avonds wandelde ik met mijn camera door Kyoto Gyoen National Garden, waar het heerlijk rustig was. De groots opgezette tuin met brede grindpaden, indrukwekkende muren en talrijke dennenbomen die door de oranje avondzon beschenen werden gaven een tijdloos gevoel.


Dag 2 van de reis bracht me eindelijk verder dan de zeer drukke steden Osaka en Kioto. Na een relatief stevige klim over de bergen achter Kioto, kwam ik uit bij Otsu, waar een eeuwenoude brug het traditionele startpunt vormt van Biwaichi: Seta-no-Karahashi. Het zwaarste deel van de dag lag achter me, het weer was zeer goed weer en ik was blij om eindelijk bij Japans grootste meer aangekomen te zijn, dat ik de komende dagen aan mijn linker zijde zal hebben.


Op de fiets was het toch behoorlijk warm met de zon die volop scheen. Gelukkig zijn er in Japan altijd meer dan genoeg plekken om vocht bij te kunnen te tanken in de vorm van Lawsons, vending machines en restaurants (zowel lokaal als nationale ketens). Desalniettemin zijn er ook genoeg stukken op de route die veel minder bevolkt en voorzien van gemakken zijn. Dit zijn dan wel weer de mooiste gedeelten die het doen laten lijken alsof je even in een ander land bent. Met een speciaal voor deze reis gemaakte Spotify-lijst die mij begeleidde door de tijd, genoot ik van de prachtige uitzichten over het immense meer terwijl ik fietste (en soms ploeterde) over de kronkelende wegen waar nauwelijks auto’s kwamen en ik de tijdloosheid van het landschap eromheen kon ervaren.
Deze dag kon mij niet lang genoeg duren. Ik bezocht nog twee stranden aan het meer voor een snelle duik en om de gozamat te gebruiken waarvoor ik hem mee had genomen. De naderende tyfoon was nog nergens te bekennen en het leek er zeker niet op dat ik de volgende dag regenkleding nodig zou hebben. Chikubushima kwam steeds dichterbij, en ik keek er zeer naar uit om dit speciale eilandje te bezoeken.


Tegen het eind van de middag kwam ik aan in Hikone, waar ik verbleef in het gasthuis van een voormalig muziekdocent van een middelbare school. Hij was enorm bereisd en sprak zeer goed Engels, maar was wel op leeftijd en, gezien zijn vele vermoeide zuchten, aan het kwakkelen met zijn gezondheid. Nadat ik hier was gesetteld kwamen nog twee andere fietsers aan die Biwaichi aan het doen waren, maar dan in tegengestelde richting. Eén van de twee jongeheren (beiden uit Engeland) was een grote fietstocht aan het maken door Japan, terwijl zijn maat pas was aangekomen om een klein gedeelte met hem mee te fietsen. Hun namen ben ik alweer vergeten, maar het was leuk om voor het eerst eens met andere fietsers te spreken op deze reis.
’s Ochtends, dag drie van mijn tocht, was het weer al omgeslagen van prachtig zonnig, naar grauw en regenachtig. Toch wilde ik voor mijn vertrek naar de volgende bestemming een bezoek plegen aan het kasteel van Hikone, één van de nog in originele staat verkerende kastelen in Japan. Vanuit de keuken van het verblijf kon ik het kasteel feeëriek in de miezerregen boven het stadje zien uitsteken. Met regenjas en zonder fotocamera fietste ik naar de ingang waar ik vlak voor openingstijd aankwam, en even later als eerste bezoeker van de dag het terrein opliep. De entree was net zo feeëriek als het uitzicht op het kasteel zelf, en de regen droeg daar zeker aan bij. Ik baal ervan dat ik er geen goede foto’s met mijn camera heb kunnen maken.


Na het bliksembezoek aan het kasteel van Hikone stapte ik op de fiets richting Nagahama, wat slechts 15 kilometer verder in het noorden was. Na twee dagen van ongeveer 70 kilometer per dag, voelde dit dan ook als een rustdag. Met poncho aan fietste ik tegen de wind in naar mijn volgende verblijf. De poncho was echter niet gemaakt voor actieve bezigheden, waardoor ik alsnog zeiknat werd van het zweet. Volgens mijn planning zou ik deze dag met de boot vanuit de haven van Nagahama naar Chikubushima varen. Deze vlieger kon helaas niet opgaan, omdat ze me bij de haven vertelden dat alle afvaarten geannuleerd waren die dag, en morgen ook. Te veel wind, veroorzaakt door de naderende tyfoon in mijn kielzog. Het werd mij duidelijk dat ik mijn hoofddoel deze trip niet zal bereiken…
Met begripvolle teleurstelling fietste ik naar mijn verblijf in het centrum van Nagahama: Guesthouse Mikata. Ik kwam aan in een pittoresk straatje waar het gasthuis op de hoek gesitueerd was langs een nog pittoresker riviertje. De eigenaar stond daar net twee andere fietsers gedag te zeggen. Hem viel meteen wat aan mijn fiets op. “Why did you bring tatami with you?” Hij sprak goed Engels, en ik kon hem makkelijk uit leggen wat het precies was en waarom ik het bij me had.

Wellicht was het dan ook wel daarom dat hij aanbood om langs te gaan bij een kleine tatamifabriek die gerund wordt door een kennis van hem. Hier waren bovendien voor de recente opening van het gasthuis de nieuwe tatamimatten gemaakt, wat in mijn kamer duidelijk te ruiken was: het verse aroma van igusa was het eerste wat ik daar opmerkte. Natuurlijk kon ik deze kans niet laten gaan, dus liepen we in de regenachtige middag met paraplu naar de tatamiwerkplaats.
De eigenaar was een vierde generatie ambachtsman die de zaak nu in zijn eentje runde. Hij was zeer verrast door onze komst en mijn opgedane kennis over het in de vergetelheid rakende ambacht. Japanners mogen dan wel bekend zijn met tatamimatten, maar hoe deze gemaakt worden is iets waar weinigen ook maar een beetje kennis van hebben. Hij was net bezig met het vervangen van de igusa op gebruikte rijststrobasissen, waar ook wat handnaaiwerk aan te pas kwam.

De inrichting van de werkplaats was voor mij zeer herkenbaar: een drietal bekende machines, grote kalender, het speciale gereedschap, de materialen en de Japanse radio die aanstond droegen hieraan bij. Ook zag ik speciale heri die uitsluitend voor tempels en tokonoma’s gebruikt wordt. De goedlachse, maar bescheiden ambachtsman gaf toe wat nerveus te zijn nu er ogen op zijn werk gericht waren, maar ik kon hem in ieder geval op geen misstappen betrappen. Zijn jarenlange ervaring was duidelijk te zien.

Hij vertelde dat zijn werkplaats de laatste tatamiwerkplaats is in Nagahama. In de loop der jaren hebben al zijn directe concurrenten hun deuren gesloten, en jammer genoeg is het waarschijnlijk ook een kwestie van tijd voordat voor deze werkplaats hetzelfde lot te wachten staat. Zijn kinderen nemen het stokje niet over en kiezen voor een andere carrière waar meer geld mee te verdienen valt. De laatste tatamivakman van Nagahama had daar begrip voor, maar vond het zichtbaar ook jammer dat de familietraditie niet werd voortgezet.

Net als mijn eigen sensei, leerde hij het ambacht van zijn vader in een klas met andere tatamistudenten. Zoals het er nu naar uitziet heeft hij zelf niet de tijd een nieuwe lichting op te leiden, en zullen de inwoners van Nagahama in de toekomst hun tatamimatten elders moeten bestellen.
Het was nog altijd aan het regenen toen het avond was geworden. De straten van Nagahama waren verlaten; alle dagjestoeristen waren vertrokken en de winkels gesloten. Paraplu’s zijn onmisbaar in Japan, en gelukkig ook in overvloed aanwezig. Dankbaar schuilde ik onder de mijne (geleend van het gasthuis) en sloeg de uitgestorven straten gade. Na een bezoek aan een izakaya trok ik me terug in het gasthuis, waar ik nog een kort gesprek had met een Mexicaanse jongen die op zijn vierde met zijn moeder verhuisd was naar Aichi. Hij sprak echter geen Spaans of Engels, maar liet me enthousiast zien op een map waar hij allemaal al in Japan was geweest. Nog slechts een handjevol prefecturen te gaan.


Ik was inmiddels in dubio of ik morgen de 70 kilometer naar mijn volgende verblijfplaats zou gaan fietsen met oog op de tyfoon. Na een heerlijke nachtrust in de gloednieuwe tatamikamer was het uiteindelijke besluit om de laatste regen af te wachten en alsnog in de ochtend op de fiets te stappen. Vanwege de verwachte regen bezocht ik eerst de lokale Don Quijote om een beter regenpak te kopen. Achteraf bleek de 4000 yen (ongeveer €20) één van de meest nutteloze investeringen te zijn geweest. Regen bleef grotendeels uit deze dag en de rest van de week ook. De tegenwind was vandaag mijn grootste kwelgeest.

Nadat ik eenmaal de grote bocht aan de noordkant van het meer achter de rug had, was de wind mij gunstiger gezind, en kon ik meer vaart maken. Ik bereikte uiteindelijk eerder dan verwacht het J-Hoppers Guesthouse iets ten noorden van Otsu. Hier zou ik de komende twee nachten verblijven om uit te rusten. Het was geen strandweer, dus de gozamat heb ik niet meer gebruikt, maar wel heb ik genoten van de lokale onsen en twee curryrestaurants in Japanse stijl. In het tweede curryrestaurant (Oberton) kreeg ik van de eigenaar een tip mee voor mijn terugkeer in Kioto de volgende dag: een bezoek aan het café waar hij hiervoor heeft gewerkt, genaamd ‘cafe MOLE’.
Na J-Hoppers was ik inmiddels weer echt op de terugweg met alleen nog een tussenstop in Kioto voor de boeg, wat gek genoeg nu alweer het vierde bezoek in een maand tijd is. Biwaichi heb ik officieel niet volledig afgemaakt, omdat ik een eerdere afslag nam richting de voormalige hoofdstad. Die extra 15 kilometer terug naar Seta-no-Karahashi konden mij gestolen worden. Het was warm en ik moest nog een flinke heuvel tussen Otsu en Kioto overwinnen tijdens deze rit van ongeveer 50 kilometer.
Maar na de top te hebben bereikt op de helft van de tocht, was het alleen nog maar bergafwaarts. Ik hoefde nauwelijks te trappen en rolde met vaart door de eerste buitenwijken van Kioto. Na enkele wijken gepasseerd te hebben fietste ik al snel weer op bekend terrein: het centrum van Kioto. Ik miste de rust van het Biwameer direct, maar tegelijkertijd was het een mooi gevoel om na een krappe week de cirkel rond te hebben gefietst.
Omdat het nog ruim voor mijn inchecktijd was in mijn hostel, besloot ik een van de toeristische trekpleister te bezoeken: Kinkaku-ji. Dit is een tempel, met een gevel van bladgoud, iets ten noorden van het centrum. Eerst at ik mijn lunch op aan de oever van de Kamogawa, die nostalgische rivier die dwars door Kioto stroomt. Het scheelde dat het die dag in ieder geval droog was, en de temperatuur aangenaam.
Met de fiets, bepakt en bezakt, kwam ik aan in de drukte voor de entree van de gouden tempel. Het was er drukker dan ik verwacht had. De entree was ook niet goedkoop. Of het aanschouwen van deze bijzondere tempel de moeite, de prijs en het trotseren van de stroom aan toeristen waard was, ben ik nog niet over uit. Dat geldt overigens eigenlijk voor de hele stad Kioto. Als ik beperkt de tijd had in Japan, zou ik liever naar andere steden gaan. Bijvoorbeeld Nagahama.

Na een bliksembezoek aan deze tempel ontvluchtte ik de drukte en fietste ik naar mijn laatste ‘sidequest’: cafe MOLE. Het bleek een gouden tip. Het café zat verscholen achter een weelde aan planten in een rustige, zeer lange straat. Binnen werden er jazzplaten gedraaid en zat er een groepje dames op leeftijd te keuvelen. Ik bestelde bier en curry bij de jongedame die het zaakje in haar eentje aan het runnen was. Het duurde dan ook even voordat ik de curry kreeg voorgeschoteld, maar eenmaal geserveerd waande ik me weer helemaal in de rustgevende sferen van het Biwameer waar ik naar terugverlangde. Het was duidelijk te zien waar de eigenaar van het currycafé Oberton in de leer was geweest.


De volgende ochtend ging ik met een voldaan gevoel het laatste deel van de terugrit tegemoet. Ik zag uit naar het fietsen langs de Yodogawa. Eenmaal daar aangekomen fietste ik met de tijd aan mijn zijde richting Osaka. Onderweg op deze fietsroute kwam ik in gesprek met een berijder van een ligfiets, in Japan een zeldzaam gezicht. Zijn naam was Koji en hij sprak zeer goed Engels. Hij vroeg zich af waar ik naartoe ging, dus legde ik hem uit dat ik op de terugweg was van een week fietsen om het Biwameer.
Hij vertelde dat hij deze tocht ook meermaals heeft afgelegd op zijn ligfiets, en dan ook in één enkele dag. “Cycling uphill is just very hard”, vertelde hij met gepaste trots over zijn fietsstijl. Hij gaf me verder nog een hoop tips over de fietscultuur en mooie fietsbestemmingen in Japan. Na een leuk gesprek sloot hij af met “Japanese people want to talk with white people, but we just don’t know how to. We are too shy and think we need to speak perfect English.”

Beiden vervolgden we onze weg langs de rivier naar Osaka, maar Koji ging op zijn ligfiets bijna twee keer zo snel. Ik had nog dik twee uur te fietsen door één van de drukste steden ter wereld, maar wist waar ik het voor deed: terugkeer in Izumi waar ik volgende week weer rustig aan de slag ga met mijn tatamibezigheden.



























Leave a comment