Tijdens de maand juni was het regenseizoen volop in gang. Het grauwe, klamme en natte weer had een bedrukkend effect. Ik keek uit naar zonnigere dagen, maar terwijl ik dit schrijf in de brute hitte van augustus met elke dag felle zonneschijn kijk ik weer uit naar wat meer regen. Net als in Nederland is het ook nooit goed. Japanners hoor ik het ook altijd zeggen deze dagen: “atsui desu ne?” – “warm, is het niet?”, waarop altijd geantwoord wordt: “atsui desu”. Misschien wordt er hier wat minder over het weer geklaagd dan in Nederland, maar het is elke dag onderwerp van gesprek.
Omdat juni alweer dik twee maanden geleden is, zijn de herinneringen minder vers en gedetailleerd. Nadat ik terugkwam van mijn fietstocht om het Biwameer pakte ik mijn bezigheden met betrekking tot tatami weer op. Ik hield me bezig met andere vormen van tatami, waaronder de eerder besproken tokonoma, maar nu ook een vierkante shitone. Dit zijn voornamelijk vormen van tatami die in Japanse boeddhistische tempels worden gebruikt. De shitone is een speciale, vaak vierkante tatamimat die extra dik is. Deze wordt door de monnik gebruikt als meditatiekussen. Hij wordt omsloten door een religieuze zijstof met een rond patroon.

Dit ronde patroon vormt eigenlijk het uitgangspunt voor de maat van de shitone. Omdat het patroon perfect door moet gaan rondom de shitone, is het dus de bedoeling om eerst te bepalen hoeveel rondjes (mon) de shitone per zijde moet hebben, en dit af te meten in de traditionele Japanse eenheid shakkan-hō (bu, sun, shaku). Op deze manier kan ervoor gezorgd worden dat het patroon perfect doorloopt bij elke hoek. Afgezien van deze precieze meting en bijbehorend snij- en knipwerk is het maken van de (vierkante) shitone niet heel lastig. Ik vond het best een meditatieve bezigheid.


Wat overigens wel extra speciaal is bij het naaiwerk voor deze vorm van tatami, is dat er ook gebruik wordt gemaakt van een kromme naald, naast de reguliere rechte naald. Dit is omdat het igusa-oppervlak op een dikkere onderlaag vastgenaaid moet worden. De draad moet dan bij het laatste naaigedeelte (kayashi) zowel ín als úit het zelfde oppervlakte (de onderkant) gaan, wat met een rechte naald niet bewerkstelligd kan worden.




Tussen de bedrijven door bezochten we met zijn vijven – Emil (de Zweedse vrijwilliger van Fujitatami), Miggs, Hiromasa-san en Kana-san een aardewerkevenement in het grote park ten noorden van Osaka waar in 1970 de wereldexpo werd gehouden. Hier staat ook een markant, megagroot standbeeld dat destijds was gebouwd als onderdeel van de expo. Kana-chan verkocht hier samen met Issei haar koffie en donuts.


Onze nieuwe tatamivriend in Wakayama, Shota-san van de Yamatetsu Tatamishop, brachten Hiromasa en ik ook nogmaals een bezoek. Onder andere om nog wat meer hoge kwaliteit igusa van hem over te kopen. Helaas ontgaat mij nog altijd veel van wat er besproken wordt, maar ik pik af en toe wel dingetjes en nieuwe woorden op. Shota vertelde van plan te zijn om naar Kumamoto te gaan om bij de oogst van de verse igusa te zijn. Iets wat ik ook zeker nog eens moet doen in Japan. Uiteraard lieten wij aan Shota ook zien waar ik mee bezig was geweest de afgelopen dagen. Daarom hadden we één van mijn onafgemaakte shitone meegenomen. Bij het afscheid kreeg ik van Shota een extra rol Kumamoto-igusa mee als cadeautje. Deze mag ik gaan gebruiken voor het maken van nog meer tatamiwerken.


Later die maand begaven we ons met zijn vieren naar Uji. Het is een oud stadje net ten zuiden van Kioto met een hoop historie, waaronder het oudste theehuis van Japan dat dateert van 1160. Maar sinds een jaar of twee trekt Uji ook ladingen toeristen vanwege de opening van het Nintendomuseum aldaar. Miggs, de Amerikaan van het uitwisselingprogramma, had ruim van tevoren voor zichzelf kaartjes weten te bemachtigen. Issei en Kana zouden hem daar naartoe brengen met de auto, en ik wilde wel mee om nogmaals Uji te bezoeken. Ondanks dat ik zelf geen kaartje had voor het Nintendomuseum
Met name wilde ik nog eens terugkeren om de hortensia’s in volle bloei te zien staan in de tuin van een tempel die daarom bekend staat: Mimurotoji Temple. Net als twee jaar geleden, toen ik de tempel rond dezelfde tijd bezocht, was er een aangename lichte regen die de atmosfeer ten goede kwam. Ondanks dat het vrij druk was, was de sfeer gemoedelijk en was het stil, op wat geroezemoes na. De Japanse tuin is prachtig ontworpen en de ogen worden tegoed gedaan aan een overvloed aan groene planten en paarse, blauwe en witte hortensia’s.


In steeds harder wordende regen zetten we Miggs af bij het Nintendomuseum, waarna wij het oudste theehuis van Japan, Tsuen, bezochten die aan de oever van de Ujigawa, naast de Uji Bridge, gesitueerd is. Een kopje groene thee smaakt hier natuurlijk extra lekker.

Zoals je kan verwachten in Japan, wordt er hier naast groene thee, ook vrij veel rijst geconsumeerd. Het woord ‘rijst’ (gohan) staat in de Japanse taal dan ook gelijk aan het woord voor ‘maaltijd’: asagohan (ontbijt), hirugohan (middageten) en bangohan (avondeten). In vele kleinere steden, zoals Izumi, zie je op veel plekken dan ook rijstvelden tussen de bebouwing, waarvan de meeste in Osaka rond begin juni beplant worden. Het planten van rijst gaat tegenwoordig met name machinaal, maar in sommige gevallen wordt er ook nog met de hand rijst geplant, hetgeen taue 田植えwordt genoemd.
Miki-san, een zeer vriendelijk stel – nieuwe vrienden van Issei en Kana – heeft een halfuur rijden van Izumi, in Kanan (een écht landelijk gebied in tegenstelling tot Izumi) een stukje land waar ze biodynamische landbouwprincipes toepassen, waaronder voor de verbouwing van rijstplanten. Wij mochten ze helpen met het met de hand planten van de jonge rijstplantjes in het modderige rijstveld. Uiteraard hadden Emil en ik geen laarzen meegenomen naar Japan, dus mochten wij de afgetrapte Crocs van Issei lenen. We hadden eigenlijk net zo goed op blote voeten kunnen lopen in het modderbad dat het rijstveld toen nog was.

Maar nadat we eenmaal onze natte voeten geaccepteerd hadden, mochten we de zaailingen in rechte lijnen, op gepaste afstand van elkaar, plaatsen in de bodem. Het was nog steeds regenseizoen, waardoor het klimaat erg drukkend was, naast dat het ook nog eens goed warm en vochtig was. Taue is zwaar werk, dus hopelijk loont het. Na slechts een enkele rij per persoon geplant te hebben, vonden we het wel weer welletjes. Ik voelde mijn rug bovendien al.
Van de vriendelijke rijstboeren kregen we als bedankje een zak met aardappelen mee en verse stengels makomo, een Japanse plant die voor verschillende doeleinden gebruikt kan worden. In eerste instantie zag ik de mogelijkheid om er thee van te zetten, maar er zijn kennelijk nog andere mogelijkheden die een stuk interessanter zijn… Wij bedankten de boeren Miki-san voor hun vertrouwen in ons als rijstplanters en sprongen de auto in. Inmiddels moest ik ook ongelofelijk plassen, en helaas was er geen wc daar op het boerenland in de heuvels.
In de regen liep ik een aantal avonden later naar een yakitori-restaurant hier in de straat. Kouzen is de naam. Hier sprak ik af met mijn nieuwe vriend Kodai, die zijn zoontje ook had meegenomen. Kodai heeft zelf een tuintje waarin hij ook hobbymatig groenten en fruit verbouwt. Nadat we goed hadden gegeten en gedronken, gaf Kodai mij een drietal verse komkommers van eigen oogst mee. Verse producten voelen goed aan, en het is fijn om te weten waar eten vandaan komt. Ik ben benieuwd of de rijst over een aantal maanden ook die voldoening geeft als het geoogst wordt, en uiteindelijk misschien op mijn bordje ligt.
Onder begeleiding van het geluid van door regenplassen passerende auto’s haastten we ons terug richting Fujitatami. De bus die Kodai en zijn zoon moesten hebben passeerde helaas ook voordat zij de bushalte konden halen. Ondanks dat het niet laat was, was het de laatste bus van de avond. Gelukkig heeft Kodai een lieve vrouw die hem en zijn zoon wel even kwam ophalen met de auto. Nog maar een paar dagen regenseizoen totdat de Japanse zomer begint…


Leave a comment